Tsjang: een blinde verkondiger
zondag 21 januari 2007

Een blinde speler en bedelaar werd een van de ijverigste evangelisten in Mandsjoerije, een gebied in het noord-oosten van China. "Ik dien alleen de levende God."

Mantsjoerije
Mandsjoerije (Bron: Wikipedia)

   Omstreeks het midden van de 19e eeuw vroeg een arme, in lompen gehulde blinde in het presbyteriaans hospitaal te Moekden (of Mukden, later Shenyang genoemd), de hoofdstad van Mandsjoerije, om een onderkomen. 

 

Image
Gele stip: Moekden (Bron: Wikipedia)

Zijn naam was Tsjang. Een eigenlijk beroep had hij niet. Evenals velen van zijn lotgenoten sleet hij zijn leven als bedelaar en speler.

   Daar het hospitaal overvol was, zag men zich genoodzaakt, hem af te wijzen. Doch ernstig bad de man om hulp; hij had immers deze verre reis ondernomen, om hier zijn ogen te laten behandelen; onderweg was hij door rovers uitgeplunderd, zodat hij zelfs de middelen niet bezat, om een eenvoudig nachtleger te betalen.

   Zo dringend was zijn bede, zo smekend de toon, waarop hij ze uitsprak, dat men aan zijn verzoek voldeed en hem ergens huisvesting bezorgde.

   Tsjang werd liefderijk verpleegd. Het gezicht ontving hij in zoverre terug, dat hij, al ging het dan ook moeilijk, de weg vóór zich herkennen kon. Maar bovenal hoorde hij het heerlijk Evangelie verkondigen, dat hij vol vreugde aannam.  (Toelichting door Keerpunt: Het Evangelie is het goede nieuws dat God de mensen liefheeft en door Jezus Christus vergeving, rechtvaardiging, verlossing en eeuwig leven aanbiedt. )

   "In Juni 1860", zo verhaalt zendeling Webster, "ontmoette ik voor de eerste maal Tsjang. Hij kwam bij mij en begeerde gedoopt te worden.
In het hospitaal was hij wel niet in zulk een mate genezen, als hij had gehoopt, maar hij had daar horen vertellen van Jezus, die de blinden genas en de armen het Evangelie verkondigde. Dit alles had hem zo aangegrepen, dat hij zich graag scharen wilde onder de belijders van die Heiland. Vol ernst stond hij thans voor mij en vurig was zijn begeerte naar de Heilige Doop.

   Hoe groot was zijn teleurstelling, toen ik hem zeggen moest, dat het geschikte ogenblik voor den doop nog niet was aangebroken, daar "hij nog te weinig thuis 'was in de Christelijke geloofswaarheden, en wij hem nog niet genoeg kenden. Ik gaf hem de raad, huiswaarts te keren en daar aan zijn landgenoten te vertellen van de blijde boodschap, die hij had vernomen. Ik zou hem dan later bezoeken en zien; of het hem werkelijk ernst was met zijn bekering.

   Zijn droefheid bij het vernemen van deze woorden was zo roerend, dat het mij reeds berouwde, hem afgewezen te hebben. Maar wanneer hij werkelijk begeerde, Christen te worden, kon zulk een tijd hem tot waarachtige zegen zijn."

   Zo verliet hij dan Moekden. Met enige boeken, die wij hem medegaven , trok hij van dorp tot dorp, overal verhalende, welke grote dingen God hem gedaan had. 

   Onderwijl was hij geheel blind geworden, daar hij een operatie had ondergaan, die bij de Chinezen wel zeer in zwang was maar die hem geheel van het gezicht beroofde. Zoals hij aan Tsjang beloofd had, ging Webster op reis, om den blinde te bezoeken. Overal vond hij sporen van Tsjangs werkzaamheid. Een der zendelingen kon hem enige bijzonderheden verhalen.

   Overdag had Tsjang de bewoners in hun huizen bezocht, 's avonds verzamelde hij hen onder een boom, om hun de "Jezus-godsdienst" te verkondigen. Altijd had hij veel hoorders. Eerst spotte men met hem, of hield men hem voor waanwijs of krankzinnig; hij zette echter krachtig door en toen de bevolking zag, dat het Tsjang ernst was, dat de woorden hem uit het hart kwamen, waren er velen, die hem geloofden. Vele anderen echter werden hem vijandig gezind. Zo verliep de ene week na de andere. Dagelijks bad Tsjang om bijstand van Boven en zong hij zijn lied, het eenige, dat hij geleerd had. Dan greep hij zijn stok en ging alleen langs de voor hem zo donkere paden voorwaarts.

   Onverwacht kwam zendeling Webster op Tsjangs dorpje aan. Daar trof hij velen aan, die de Heer Jezus reeds hadden gevonden, nadat zij door Tsjang op Hem waren gewezen. De blinde zelf was echter weer op een Evangelisatiereis. Maar toen hij hoorde, dat de zendeling aangekomen was, keerde hij dadelijk terug.

   ZendelingWebster verhaalde de ontmoeting als volgt: "Eerst bleef hij voor mij staan, op zijn stok geleund, alsof hij tot zichzelf komen moest. Dan helderde zijn gelaat op, tranen ontsprongen aan zijn uitgedoofde ogen, en met een van ontroering bevende stem riep hij: ,,0, zendeling, u hadt beloofd, mij te komen opzoeken, en ik wist en vertrouwde, dat u uw woord zoudt houden".

   Duizenden vragen moest de zendeling die avond beantwoorden. Tsjang en zijn makkers werden niet moe, allerlei vragen te doen, zodat de ogen van Webster toevielen toen Tsjang nog na het middernachtelijk uur aan zijn makkers het verschil deed kennen tussen de leer van Confucius en Christus. De eerste vergeleek hij bij een man, die, bij een put staande, waarin iemand gevallen was, aan de onvoorzichtige breedvoerig vertelde, hoe hij die gevaarlijke kuil had moeten ontwijken. Jezus deed geheel anders; toen hij den hachelijken toestand opmerkte, waarin de man verkeerde, wierp hij hem een touw toe en redde hem.

   De volgenden dag was Tsjangs huis vol heilbegeerige menschen, waarvan velen gedoopt wensten te worden. Na nauwkeurig onderzoek werden Tsjang en negen anderen gedoopt. Het verdere leven van Tsjang biedt menige belangrijke bijzonderheid.

   Volmaakt was hij natuurlijk niet. De gewoonte van een reizend leven was hem bijgebleven en zo kon hij ook nu niet lang op dezelfde plaats vertoeven. Doch nooit liet hij na, zijn landgenoten Gods Woord te verkondigen.

   Na eeigen tijd begaf hij zich naar Peking, om daar te leren lezen en schrijven. Zo vlijtig oefende hij zich daarin, dat hij er na enige maanden tamelijk vaardig in was. Dat was een groot voordeel voor hem. Nu toch kon hij uit den Bijbel voorlezen aan hen, die zich nieuwsgierig rond hem schaarden, om het wonder te aanschouwen, hoe een blinde met de toppen van zijn vingers lezen kon. Al spoedig kende hij hele gedeelten van de Heilige Schrift (de Bijbel) van buiten.

   Met nog groter ijver, indien 't mogelijk ware, arbeidde hij onder zijn volk. In 1872 werden in zijn streek niet minder dan 170 personen gedoopt.

   Tsjang was spoedig een algemeen bekende persoonlijkheid. Toen dan ook in juli 1900 de vervolging losbrak, was Tsjang een der eersten, die de marteldood stierf.

   Men sleepte hem naar een tempel en beval hem, de afgoden eer te bewijzen.
"Ik dien alleen den levenden God," was zijn antwoord.
"U moet uw leer herroepen en boete doen," schreeuwden zijn vijanden hem toe.
"Ik heb reeds boete gedaan," luidde zijn weerwoord.
"Wilt u in Boeddha gelooven?" "Neen", getuigde Tsjang onverschrokken, "ik geloof in de Heer Jezus Christus." "Dan zult u sterven," en, terwijl Tsjang een lied aanhief ter ere van zijn Verlosser, kliefde een sabelhouw hem het hoofd.

   Zó stierf Tsjang, de martelaar van Mandsjoerije, met een lied op de lippen, om straks in te stemmen met het lied van alle verlosten hierboven.

(c) Keerpunt, 2007

Bron: J.C. de Koning, Van strijd en overwinning; verhalen uit de geschiedenis der zending. Utrecht: Kemink & Zoon, 1912/1913. Voor Keerpunt bewerkt door Kees Langeveld.