Hans Smit: van niets tot Christus
zaterdag 13 januari 2007

Hans SmitJezus heeft gezegd: "Niemand die de hand aan de ploeg slaat en omziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God." "Dit woord," zegt Hans Smit, "gaf de omkeer in mijn leven in mijn zoeken naar de zin en het doel ervan." Hans vertelt hoe hij bevrijd werd van roken, alcohol en occulte belasting.

   Onder het juk van de Duitse bezetting werd ik in juni 1941 als derde kind van uiteindelijk zes, geboren aan de Veluwezoom  tussen Arnhem en Wageningen. In de school die naast ons huis was, waren Duitse soldaten ingekwartierd. In september 1944 zag ik de Engelsen bij ons in de buurt landen toen de slag bij Arnhem begon. Korte tijd nadat we de eerste Duitsers met een Engels geweer in de rug voorbij zagen komen, moesten we echter op bevel van de Duitsers evacueren en kwamen pas in juni ´45 terug. 

  
Daarna ging ik, niet-christelijk jongetje, naar een christelijke kleuterschool in ons dorp. We zongen daar toen nog op bevrijdingsdag en Koninginnedag altijd ook het 6e couplet van het Wilhelmus. Mijn zingen en uitspreken van die woorden Mijn Schild ende Betrouwen zijt Gij o God, mijn Heer door mijzelf maakte indruk op mij. Ik dacht daarbij: dat gaat dus over jullie God?.    Daarna ging ik in een naburig dorp naar de openbare school. Vlakbij was het kerkje van de Nederlandse Protestanten Bond. Daar werd het Bijbelklasje gehouden, waar wij, de drie schoolgaande kinderen toen, van mijn moeder heen moesten, voor onze algemene ontwikkeling. Wij hadden zelf geen Bijbel in huis. Wij gingen niet naar de kerk. Mijn moeder was wel als kind gedoopt in de Nederlands Hervormde Kerk, onder druk van haar grootvader. Haar vader had de kerk de rug toegekeerd en maakte alles wat met Kerk en Bijbel te maken had bespottelijk. Dat heeft mijn moeder altijd van het geloof afgehouden. Ook ons gezin was daardoor erg kritisch ten aanzien van alles wat met kerk te maken had.  

  
Mijn oma die naast de Hervormde Kerk in Renkum woonde ging daar nog wel eens heen. Op het Bijbelklasje leerden we kerkelijke liederen en ik genoot meestal van de verhalen die de dames ons vertelden. Ik ergerde me eraan dat mijn broer en enkele neefjes de boel daar trachtten te storen door vals te zingen. We hadden een jaarlijkse kerstviering, waar we meededen met het kerstspel. Verder moest je eigenlijk maar raden waar het over ging. 

  
  Ik had een vriendje in de klas dat mij de baas was en me aanzette tot stiekem roken en zelfs stelen van snoep of geld. Dat knaagde behoorlijk aan mijn geweten.

  
Toen ik tien was, gingen we verhuizen naar Voorburg. Daar kregen we ook facultatief godsdienstles van de Nederlandse Protestanten Bond  op de openbare lagere school. Dat maakte al veel meer indruk op mij. De oude heer, die daar de verhalen vertelde deelde plaatjes uit met voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. Ik spaarde graag de plaatjes van Jezus. Hij gaf ook wel eens grote kleurenplaten. Die wilde ik graag hebben. Daarvoor nam ik mij voor, extra goed te luisteren. En toen kwam hij eens na afloop naar mijn plaats en gaf mij een compliment dat ik zo goed luisterde.. Ik leek wel een klein Paulusje, zei hij en gaf mij zo´n grote plaat, waar ik natuurlijk erg trots op was. Dat leverde mij thuis wel de nodige spot op. We hadden daar diverse christelijke buren en we ergerden ons aan het trage klagende orgelspel dat door de muren drong. 

  
Op het Lyceum hadden we als verplicht vak Godsdienst. Die lessen waren meestal erg chaotisch. Mijn broer zat toen bij mij in de klas. Ook in de klassen bij een andere dominee, was het vaak een janboel, zo erg dat ik die dominee door de muren heen zelfs een keer luid hoorde vloeken. 

  
Na de derde klas gingen we weer verhuizen, naar Arnhem. In die periode begon ik te roken en op mijn eerste natte droomervaring volgde een aantal jaren waarin ik verslaafd was aan zelfbevrediging.  De HBS die we nu bezochten had geen Godsdienstles. De overgang was erg groot. Mijn broer ging in de vierde van school en ik bleef zitten. We zaten allebei op volleybal en daar leerde ik wat studenten van de kunstacademie kennen. Ik ging mij als zij, alternatief kleden en knipte mijn haar in een Caesarcoupe. Ik werd ook ongeveer de beste van de klas en slaagde in 1959 als beste van onze school dat jaar. Van daar ging ik het huis uit en in Wageningen studeren. 

   Ik had inmiddels verkering gekregen met een vriendin van mijn jongere zus. Ik had daarover advies gevraagd aan mijn moeder, maar achteraf vond ik het toch niet verstandig geweest. Toen het na het behalen van mijn propedeuse uitraakte, was ik namelijk geheel losgeslagen. Ik had geen levensdoel meer. Ik had als corpslid al flink bier leren drinken en het feesten werd nu erger, zodat ik ongeveer twee keer per week dronken thuis kwam. Daar kun je dan nog wel een practicum bij doen en zo nu en dan college lopen, maar studeren voor een tentamen kon ik wel vergeten. De studieresultaten stagneerden en mijn kleine Rijksstudietoelage werd ingetrokken. Door de nood gedreven begon ik mij af te vragen wat eigenlijk de zin van het leven was. 

   Toen zag ik op tafel bij mijn hospes een boek liggen getiteld Het Ontstaan van het Heelal, door Jozef Rulof. Dat intrigeerde mij, ik mocht het lezen. Hier opende zich een wereld, waar ik niets van wist. Van het ene boek  van dit medium kwam het andere, ik kocht ze zelf nadat ik een andere kamer gevonden had en verslond ze. Dit gaf antwoorden, dit leek zin te geven. Hoofdthema´s in die boeken waren reïncarnatie, geestelijke gaven, een kosmologie en de volkeren der aarde. Ik ging in reïncarnatie geloven. 

   Ondanks dat ging het mij eigenlijk steeds slechter. Tijdens een nachtelijke dronkemanstocht in februari (!) door de uiterwaarden met een oponthoud op een warme steenoven, waar ik met een vriendje stevig had gedronken, werd ik drijfnat door de gewaarschuwde politie op de dijk opgewacht. Ik waande mij in mijn roes dat het oorlog was en ik in het verzet zat en dat er hevig geschoten werd, zodat ik wadend door het water beschutting zocht. Toen ik de agenten zag, schold ik hen uit voor NSB-er toen ik merkte dat ze me in wilden rekenen. Ik belandde in een warme cel voor de rest van de nacht. 

    Daarna, tijdens een practicum bodemkartering in de Betuwe, begon een collega telkens te zeggen nadat we een gat geprikt hadden om het bodemprofiel op te nemen en de afstand tot het volgende boorpunt afpasten:

Hij die de hand aan de ploeg slaat en omziet naar hetgeen achter hem ligt is niet geschikt voor het Koninkrijk Gods.

Hij was helemaal niet gelovig. Die woorden begonnen op mij in te werken en na een tijdje vroeg ik hem hoe hij daar aan kwam. Van zijn tante, zei hij en wist ook te vertellen dat het een bijbeltekst was, zelfs iets wat Jezus gezegd had. Dat vond ik vreemd. Die boeken van Rulof werden namelijk uitgegeven door het Geestelijk Wetenschappelijk Genootschap De Eeuw van Christus. Sommige boeken stonden vol met “Christus”. Hier leek mij iets niet te kloppen.  

   Ik had uit die boeken juist begrepen dat het verleden erg belangrijk was en in je ontwikkeling naar hogere graden een grote rol speelde. Toen dacht ik, dat ik die Bijbel er dan eens op na moest slaan. Omdat ik van huis uit eigenlijk niets meegekregen had “voor het leven”, en mijn 21ste verjaardag naderde, waarop men toen voor de wet volwassen werd en dus verantwoordelijk, besloot ik mijzelf op die dag een Bijbel te kopen, omdat ik meende daar een zeker houvast in te vinden. Ondertussen bleef ik echter ook Rulof lezen, die schreef ook veel over God.

 

   De hospita van mijn nieuwe kamer begon vaak over het geloof tegen haar kamerbewoners. Bij mij deed ze dat echter niet. In die tijd vond ik in mijn vaders boekenkast En Abram toog heen, een roman over Abram en zijn verlangen naar God. Dat sloeg over op mij. Ook door het bijbellezen werd dat verlangen gevoed. 

 

  "Ontucht, wijn en most nemen het verstand weg," las ik in Hosea hoofdstuk 4 vers 11. Dat kon ik maar al te zeer beamen. Hoewel de drank mij het meest ruïneerde, zag ik de drank zelf niet als mijn grootste probleem. Ik was altijd een sociale drinker. Ik deed dat niet op mijn kamer. Daar werd ik alleen ´s middags wakker met een dikke kater, stinkend naar bier. En op den duur met wroeging, “o, God, hoe kom ik hier uit”.

    De Psalmen (een deel van de Bijbel) getuigden mij van Gods antwoord op uit nood geboren gebed. Er werd geloof in mij opgewekt, ik ging bidden tot die God van David. Het bijbelgedeelte Jesaja hoofdstuk 1 vers 18 sprak sterk tot mij. 

Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de HERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. 

Ik wilde zo´n verbond met God. Ik ging bidden om vergeving en verlossing van mijn zonden. Ik verlangde naar die reinheid waarvan ik las. Van die  zelfbevrediging wilde ik allereerst af. En daar heeft de HEERE mij snel van verlost. Hij had mij er Zelf heel goed van doordrongen dat dat niet deugde. Een artikel van een predikant dat ik toen eens las, waarin die weliswaar zei dat masturbatie eigenlijk niet goed was en men het daarom maar niet te vaak moest doen, legde ik daarom als onwaarachtig, hoofdschuddend terzijde. Er is verlossing voor! Allicht, zeg ik nu. Wat zou de kracht van het evangelie anders voorstellen?

    Van het roken wilde ik ook af. Dat voelde ik echt als een verslaving, een pakje per dag kostte me 30% van mijn schamele maandgeld van f 100,--. Daar verloste de HEERE me van met behulp van anderen, waarover hierna!     Op een doordeweekse dag was ik bij mijn ouders thuis. Er werd die avond een evangelisatiekrant Goed Nieuws van Johan Maasbach in de brievenbus gestopt. Ik vond dat blad en las een getuigenis: “Drank verwoestte mijn leven”, dat mij zeer aansprak. Die man schreef over de kracht van de Heilige Geest Die hem nieuw leven had gegeven. Dat was nieuw voor mij, daar ging ik naar verlangen. Ik miste levenskracht.
Enige tijd later zag ik bij mijn hospita een hele stapel van diezelfde kranten in de gang liggen! (Tien jaar later toen ik een broer van de man van mijn hospita ontmoette, die in de straat van mijn ouders in Arnhem woonde, bleek, dat hij die Goed Nieuws bij ons in de bus had gedaan op die avond dat ik juist thuis was, zonder te weten dat ik bij zijn broer in huis woonde en zonder mij te kennen.) De HEER aan het werk!

    In mijn Bijbel las ik ook: “Het is de mens gegeven eenmaal te sterven en daarna het oordeel!” Wat? En die reïncarnatie dan? Ging dit over dezelfde Christus? Die van dat niet achterom zien? Ik had inmiddels een boek van Rulof aan mijn opa te lezen gegeven, waar ik elke week een keer ging eten. Echter twee maanden nadat ik mijn Bijbel had gekocht overleed hij plotseling. Mijn oma volgde twee maanden later. Daar hield ik mijn eerste grafrede. Ik geloofde allang in een leven na de dood en vond het jammer dat iedereen zo verdrietig was.

    Een maand later overleed koningin Wilhelmina en had een witte begrafenis, waarmee zij ook een leven na de dood beleed. Op 8 december 1962 werd ze begraven en ik kocht die dag haar boek Eenzaam maar niet alleen, waarin ze van nog meer aan mij getuigde. Vera Lynn zong in die dagen vaak “Land of Hope and Glory” voor de radio en dat klonk voor mij ook als een roepstem van de hemel om mij uit de duisternis te trekken en het wekte verlangen, verlangen, verlangen!

    Toen, tijdens een nacht van schilderen, ik geloofde nog steeds in geïnspireerd schilderen, in januari 1963, begon het flink te sneeuwen. Ik woonde halverwege de Wageningse berg en keek vanuit mijn raam op de uiterwaarden en de Betuwe. Ik was de hele nacht op en tegen de morgen wilde ik die reine witte wereld in met mijn fototoestel. Studenten fietsten mij voorbij de berg op. Ik was op zoek naar reinheid. Zo begon God Jesaja hoofdstuk 1 vers 18 voor mij levend te maken!  

Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de HERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.   

Reinheid, reinheid, reinheid, de opgaande zon in dat sneeuwlandschap! Uren was ik biddend en verlangend met God in de reine sneeuw en toen om een uur of elf mijn film vol was en ik weer thuis kwam, was de tijd aangebroken om bij mijn hospita aan te kloppen en haar te vragen of ik zo´n evangelisatiekrant mocht hebben. Ik wilde dat getuigenis nog eens lezen.

    Toen kwam zij op haar praatstoel. Zij vertelde mij over samenkomsten waar ze met mensen baden voor bevrijding, ook van het roken. Ik vertelde haar niet dat ik daar vanaf wilde, maar vroeg wel of ik eens mee mocht naar zo´n samenkomst. Een dag of tien daarna was er een, in Driebergen. Er werden daar weekenden gehouden met prediking voor bevrijding van alle vormen van occultisme, afgoderij en roken, over genezing, waterdoop en Geestesdoop. Over de waterdoop had ik ook al lopen nadenken en er eens vragen over gesteld aan een predikantszoon, die ook corpslid was.  

En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat wilt u, dat Ik u doen zal ?
(Bijbelgedeelte Markus hoofdstuk 10 vers 51)   

   Ik wilde drie dingen: In relatie met God komen, de Heilige Geest ontvangen en van het roken bevrijd worden. De zaterdag dat we er heen zouden gaan, was ik op de kroeg (de studentensociëteit) om te eten en mijn sigaretten waren op. Ik stond voor de keus nieuwe te kopen, maar dacht, “morgen hoef ik niet meer’ en zag ervan af. Er was dus al geloof in die bevrijding in mij aanwezig! Die gulden voor dat pakje sigaretten zou ik in de collecte doen. 

De Heer overweldigde mij

     Op Beukenstein, zoals het conferentieoord heette, kwam ik dan voor het eerst in een Christelijke samenkomst! Zeer sceptisch kwam ik binnen in een luid zingend en klappend gezelschap en nam met mijn hospita en haar man plaats op de tweede rij. “Menen jullie dat wel allemaal?” dacht ik, om mij heen kijkend. 

   Toen begon de prediking over bevrijding. Na afloop een uitnodiging: “Wie wil er van het roken bevrijd worden?” Met een aantal anderen kwam ik naar voren. Eenmaal aan de beurt werden me een paar  vragen gesteld, maar ik begon in een kramp te komen, zodat ik niet meer praten kon en ging weer zitten. Op mijn stoel sloeg ik dubbel met mijn hoofd op mijn knieën, helemaal tintelend. Ik wist niet wat me overkwam. Ik viste mijn zakdoek te voorschijn, want die had ik nodig. Na enige tijd kwam ik tot bedaren en kon me weer oprichten.

    Het was opnieuw mijn beurt. Weer vragen: “Ben je een kind van God?” Ik zei ja, want in de boeken van Rulof is iedereen dat. Toen: “Heb je Jezus aangenomen?” Ik wist niet wat die vraag betekende. Ik ging weer helemaal tintelen, voelde weer een kramp in mijn mond en men ging met mij bidden. Ik raakte echter volledig buiten westen. Toen ik weer bijkwam, voelde ik dat tintelen uit mijn omhoog geheven armen en handen wegtrekken via mijn vingertoppen. Toen werd ik helder en kwam er een enorme vreugde in de zaal. De prediker zette zich meteen achter zijn orgel en wat was me dat een lofprijs! “Er is vreugde, hemelvreugde, hemelvreugde hier op aard, te weten Jezus mint ook mij, is mij meer dan alles waard.”  Ik genoot met volle teugen van die vreugde en zong voluit mee voor zover dat kon. Wat een verademing!

    Later hoorde ik dat die hele bediening, zoals dat genoemd werd, wel een uur had geduurd. En dat iedereen gevraagd was, al of niet op de knieën mee te bidden en te strijden voor mijn bevrijding, want het ging niet alleen om dat roken, maar vooral om die hele occulte wereld die ik meebracht, waar ik me in het geheel niet bewust van was geweest. Ook zei de prediker na mijn bevrijding, dat hij toen begreep waar die zware druk die avond vandaan gekomen was, want die was nu weg.

    Ik wilde er graag blijven om er de volgende dag weer bij te zijn en kon er overnachten wat mijn hospita en haar man voor mij betaalden. Die zondag genoot ik van de prediking over waterdoop en Geestesdoop. En tijdens de handoplegging daarvoor begon ik de aanwezigheid van de Heilige Geest bij mij en in mij te ervaren, waar ik zo naar verlangd had en om bad. Helemaal in vervoering kwam ik terug in de zaal. Ik was weg met God. Wat een verandering in één weekend tijd. Mijn hospita en haar man waren natuurlijk zeer verrast over wat er  met mij gebeurd was. Dank U, HEER!

    Van het roken was ik totaal verlost! Er was geen enkele gedachte meer aan, noch enig verlangen ernaar. Alsof ik nooit gerookt had. Het heeft me daarom sindsdien nooit ook maar de minste moeite gekost om van sigaretten, sigaren of pijp af te blijven. Dat was echt, zoals de Bijbel zegt in Psalm 103 vers 12:

Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons.

    Als men eenmaal in reïncarnatie gelooft, ga je prakkiseren wie je in een vorig leven kunt zijn geweest. Ik kwam op Vincent van Gogh! Rulof schilderde zelf mediamiek en ik had altijd lol in tekenen gehad. Daarom ging ik ook olieverfschilderijen maken. Voor mijn ouders maakte ik twee maanden voordat ik mijn bijbel kocht een schilderij voor hun zilveren huwelijksfeest in 1962. Ik schilderde mijn vader daarop als “iemand die wel wilde maar niet kon”, met een geknakte rug en mijn moeder met de kinderen, mijzelf van hen allen verwijderd.

    Ruim een jaar later, op de dag dat mijn vader, vier maanden na mij, de HEER had gevonden, vertelde hij, dat hij vanaf het moment dat mijn schilderij bij hem in huis kwam, een zware hernia kreeg, hij liep inmiddels met een stalen korset. Zijn rug werd dus letterlijk geknakt zoals ik op dat schilderij had weergegeven! (Hij werd daar later, ook op Beukenstein, door de HEER van genezen!) Andere schilderijen van mij riepen tot God, hadden Golgotha tot onderwerp of iets anders met de dood.

      Ik liet ze aan de studentendecaan zien, die veel betrokkenheid bij mijn levensstrijd toonde. Ik besprak met hem mijn levensproblemen. Ik overwoog zelfs theologie te gaan studeren. Hij verwees mij door naar de Studenten Psychologische Dienst in Utrecht, waar ik twee keer heen ben geweest. De eerste keer om me aan te melden en vervolgens om me af te melden. Ik had tussendoor Jezus in mijn leven mogen ontvangen. Ik werd iemand, toen de HEER woning maakte in mijn hart. Ik ontving die levenskracht! Hij maakte mij nieuw! Waar had ik dan nog een psycholoog voor nodig? Helaas overleed ook plotseling de studentendecaan. Ik kon hem mijn bekeringsverhaal niet meer doen, wat ik wel aan die psycholoog had mogen doen. Theologie hoefde ik niet meer te studeren, ik had nu Jezus Zelf gevonden en wat meer is, Hij mij. Ik had een Almachtige Vader in de hemel!

    Enige tijd na deze wedergeboorte dronk ik op de kroeg een wijngrog. Die stond mij plotseling na één slok zo tegen, dat dit het begin werd van 7 jaren van absolute geheelonthouding, behalve bij het Avondmaal! Zo werd ik ook van de alcohol bevrijd, die mijn leven had verwoest. Mijn taal werd rein, vloeken was er niet meer bij. Het werd lofzingen, danken en aanbidden in nieuwe tongen! Een leven door het geloof in Jezus Christus was begonnen. Achter het huis verbrandde ik de herinneringen aan mijn oude leven: mijn Rulof boeken, mijn schilderijen, mijn corpspet en alles uit het studentenleven, foto´s, brieven, alles waarvoor ik mij nu schaamde tegenover de HEER. Mijn verf en ezel gaf ik aan een student met meer talent dan ik. “Zie, Ik maak alle dingen nieuw!” zegt God in de Bijbel.

    Ik maakte dingen in orde, schreef brieven om vergeving te vragen, beleed al mijn zonden, wie het dan ook betrof. Ik speurde mijn hele leven daarop na. Ook schreef ik bedankbrieven aan personen die ooit iets goeds voor mij hadden gedaan, zoals die dames van het Bijbelklasje. Zij waren nog in leven (over de 90) en ik bracht hen een bezoek om hen te bedanken en van mijn bekering te getuigen. Aan God alleen de EER door Jezus Christus, aller HEER! Hij bevrijdt van zonden, maakte mijn banden los en gaf mij een hoopvolle toekomst in Hem.Mijn dank is verwoord in de volgende verzen uit de Bijbel: 

‘Ik ben de Heer, een milde God, vol medelijden, vol liefde en geduld, een God op wie je vertrouwen kunt. Tot in de duizendste generatie bewijs ik mijn trouw, vergeef ik misdaad, onrecht en zonde. Maar de schuldige spreek ik niet vrij. Ik verhaal de misdaden van de voorouders op de kinderen en kleinkinderen tot in de derde en vierde generatie.’
(Exodus hoofdstuk 34 verzen 6 en 7)

Psalm 107:

'Breng dank aan de Heer, want hij is goed, eeuwig duurt zijn liefde.’
Zo moeten allen spreken die door de Heer zijn bevrijd, aan de macht van de vijand ontrukt,
thuisgebracht uit verre landen, uit het oosten, uit het westen, uit het noorden, uit het zuiden.
Sommigen zwierven door de woestijn, eenzaam en verlaten; een plek om te wonen vonden zij niet.
Zij leden honger en dorst, raakten aan het eind van hun krachten.
In hun angst riepen zij de Heer om hulp en hij redde hen van een wisse dood.
Hij wees hun de goede weg, leidde hen naar een plek om te wonen.
Laten zij hem danken voor zijn liefde aan mensen bewezen, voor hun wonderbaarlijke redding.
Want wie dorst had, gaf hij te drinken; wie honger had, gaf hij te eten, in overvloed.
Anderen zaten gevangen in het diepste duister, geklonken in ketenen van ellende.
Zij hadden zich verzet tegen God, de raad van de Allerhoogste in de wind geslagen.
Hij dwong hen op de knieën; ze bezweken van ellende, niemand bood hun de helpende hand.
In hun angst riepen zij de Heer om hulp en hij redde hen van een wisse dood.
Hij haalde hen uit het diepste duister, hun boeien rukte hij af.
Laten zij hem danken voor zijn liefde aan mensen bewezen, voor hun wonderbaarlijke redding.
Want bronzen deuren brak hij open, ijzeren grendels sloeg hij aan stukken.
Anderen bezorgden zich veel ellende; ze waren zo dwaas zich tegen hem te verzetten.
Zij walgden van elk voedsel, ze stonden aan de rand van het graf.
In hun angst riepen zij de Heer om hulp en hij redde hen van een wisse dood.
Met een enkel woord maakte hij hen gezond, zo redde hij hen van het graf.
Laten zij hem danken voor zijn liefde aan mensen bewezen, voor hun wonderbaarlijke redding.
Laten zij hem offers brengen, uitbundig zijn daden bezingen. 

 Hans Smit, 2006

Hans Smit 

Naar aanleiding van dit verhaal kunt u de hoofdpersoon een e-mail sturen.

(c) Keerpunt 2006