Casper Cretz: Mijn schilderijen kwamen letterlijk tot leven
maandag 21 juli 2014

Persoon wenst onbekend te blijvenStemmen, dromen, vreemde verschijnselen, drugs, jeugdinternaat, dwangmatig schilderen. Casper Cretz (schuilnaam) beleefde het allemaal. Gelukkig veranderde hij. "De nachtmerries bleven weg ... ik schrok niet meer van ieder geluid. De stilte was niet meer angstaanjagend, maar vredig."

Toen ik klein was ontdekte mijn vader dat mijn moeder zich met allerlei duistere dingen bezighield; tarotkaarten en ouijaborden en zo. Haar moeder en grootmoeder waren ook actief geweest in hekserij en dergelijke. Er gebeurden bij ons thuis rare dingen, ik hoorde soms zomaar iemand mijn naam noemen, terwijl er helemaal niemand was. 's Nachts kwamen er dingen in mijn kamer waar ik bang van werd.

Toen ik twaalf jaar was scheidden mijn ouders. Ze hadden al veel langer een slechte verstandhouding. Mijn vader ging nog altijd naar de kerk, maar mijn moeder niet meer. Ze vond dat iedereen in de kerk hypocriet was. Daar was thuis heel vaak ruzie over.

Ik ging met mijn moeder mee, samen met mijn zusje, maar na een tijd gingen we weer naar mijn vader. Hij beloofde dat alles zou veranderen, maar daar merkten wij weinig van. Hij was nogal driftig en ik heb het meegemaakt dat hij in een boze bui de bijbel in mijn mond stopte.

Ik moest op den duur niets meer van God en het geloof hebben. Ik was het met mijn moeder eens dat dat allemaal schijnheiligheid was. Thuis maken ze je bang en in de kerk zitten ze blij te wezen. Ze doen alsof ze van je houden, maar achter je rug om bedonderen ze je.

Experimentele muziek

Toen ik zestien was liep ik weg van huis, naar mijn moeder. Maar zij wilde me niet hebben en stuurde me naar een kostschool. Daar bleef ik een jaar en het ging steeds slechter met me. Ik begon drugs te gebruiken en stal medicijnen van mijn moeder. Zij had epilepsie, dus ze had medicijnen genoeg. Ook luisterde ik naar experimentele muziek.

In die tijd kwam ik voor het eerst in aanraking met de politie vanwege drugsproblemen. De kinderrechter zei dat ik naar de kunstacademie mocht, wat ik heel graag wilde, maar dat ik dan wel naar een jeugdinternaat moest. Dat deed ik, maar het hielp allemaal niet veel. Uiteindelijk werd ik van de kunstacademie afgegooid omdat ik psychoses had en in die buien allerlei rare dingen deed.

Zo kwam ik in de psychiatrie, waar ze me eigenlijk niet konden helpen. De kinderrechter had uiteindelijk ook genoeg van me en haalde me van het jeugdinternaat af. Zo belandde ik op straat. Een jaar lang sliep ik buiten en soms bij een vriend. Ik had geen geld, ik had niets. Ik droeg een jaar lang dezelfde kleren.

Levend schilderij

Uiteindelijk vond ik een kamer en daar woonde ik anderhalf jaar. Het ging absoluut niet goed met mij. Ik kreeg vreemde dromen die later werkelijkheid werden. Ook werd alles wat ik schilderde werkelijkheid. Ik maakte een schilderij van een man die in een park op een bankje zat en een steen gooide. Ik schilderde ook de plek waar de steen neerkwam. De volgende dag ging ik naar een park en toen ik op een bankje zat, zag ik daar die man van mijn schilderij. Hij pakte een steen op en gooide hem weg, de steen kwam precies neer zoals ik het geschilderd had! Het was heel angstaanjagend.

Ik was een keer op bezoek bij vrienden en we wisten dat de politie ons zocht. Plotseling kreeg ik een vreemd gevoel en een vriend vroeg aan mij wat er was. Ik vertelde het hem en hij zei: 'Laten we weggaan.' Vlak nadat we het huis hadden verlaten, deed de politie een inval en arresteerde de andere jongens. Het werd allemaal steeds gekker en ik voelde me erg rot.

Op een avond kwam ik thuis uit de bioscoop. Toen ik op de rand van m'n bed zat, keek ik naar de muur, waar ik een grote zwarte doek op had gehangen. Ik was bezig met een schilderij en die doek was voor de verfspatten. Ineens zag ik mijzelf uit dat zwarte vlak komen. Ik had een zwarte cape om en ik lachte. Het was net alsof ik uit de muur kwam, het keek even naar me en toen ging het terug. Het gezicht lachte wel, maar ik kreeg niet het gevoel dat die verschijning mij graag mocht. Ik kreeg eerder het idee dat het me wilde grijpen. En het was mijn eigen gezicht, dat was het angstaanjagende.

Dode rat op de trap

Ik probeerde dat beeld de rest van de nacht van me af te zetten, maar dat lukte me niet. En toen ik de volgende ochtend mijn kamer uitkwam zat mijn rat - die ik drie weken daarvoor begraven had - op de trap. Ik schrok verschrikkelijk en rende in paniek het huis uit. Ik ging steeds meer rare dingen zien, mensen in mijn kamer die naar me keken en lachten. Ik werd er heel angstig van, had het gevoel dat er voortdurend naar me gekeken werd.

Ik probeerde te stoppen met drugs en vernielde veel van mijn schilderijen. Ook probeerde ik contact met thuis te krijgen. Maar het was erg moeilijk om dat allemaal in mijn eentje voor elkaar te krijgen.

Na een tijdje dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om naar een kerk te gaan, maar ik durfde niet. Ik was verschrikkelijk bang dat ze me daar uit zouden lachen. Ik stond zeker een maand lang iedere dag bij de deur van de kerk met m'n hand bij de bel, maar zodra er iemand langs kwam, een voetganger of een fietser, rende ik hard weg.

Schijnheilig

Na een maand durfde ik eindelijk aan te bellen. Ze lieten me binnen en praatten met me. Sommigen waren bang voor me, maar anderen hielpen me echt en ik wilde weten wie ze nu echt waren. Of ze echt christenen waren of een stelletje schijnheiligerds.

Ik zat iedere zondag achterin de kerk, om te kijken of ik ze ergens op kon betrappen. Waren ze wel echt met mij begaan en bestond hun God wel echt? Dus bleef ik daar en zij probeerden me te helpen. Zelf konden ze niet veel doen omdat ze niet deskundig waren, maar ze probeerden een plek voor me te vinden in een opvangcentrum voor verslaafden. Uiteindelijk vonden ze er één in Nederland. Daar brachten ze me naartoe, ik zou daar rust kunnen vinden en zou daar alleen zijn, zonder dat mijn vroegere vrienden me lastig zouden kunnen vallen.

Van toen af aan begon alles te veranderen. Het lukte me om van de drugs af te komen en vond het een verademing dat niemand me dwong om drugs te gebruiken. Ik sliep veel beter, anders lag ik altijd uren wakker en kon ik niet stoppen met denken. Nu wel. Ik kwam tot rust en durfde de mensen om me heen weer te vertrouwen. De leiding van het centrum was christelijk en ik vond het goed hoe ze met elkaar omgingen.

De nachtmerries bleven weg en ik begon weer te schilderen. Het was heel anders wat ik nu maakte, het had nu meer met leven te maken dan met de dood, zoals vroeger. Ik voelde me zelfverzekerder, ik schrok niet meer van ieder geluid. De stilte was niet meer angstaanjagend, maar vredig. Ik wist dat God met me was en dat ik de juiste keus gemaakt had. Ik besloot dat ik Jezus wilde volgen.

Ketenen om mijn handen

Ik bleek nog wel bevrijdend gebed nodig te hebben. Twee mensen van het centrum hadden eens met me gebeden en zagen toen een beeld. Ik had allemaal ketenen om mijn handen en voeten. Ook zagen ze een soort elektriciteitsdraden van mijn hoofd naar mijn handen. Ze zeiden dat het kwam doordat ik bezig was geweest met dwangmatig schilderen, gestuurd door kwade machten. Ik wist dat ik niet altijd controle had over mijn lichaam, dat ik beheerst werd door iets anders. Dat wist ik al voordat ik in Nederland kwam.

Ik had connecties met de geestenwereld en dat had me soms goede dingen gebracht, maar heel vaak ook niet. Dat had misschien te maken met de experimentele muziek waar ik mee bezig was geweest.

God liet de leiders van het centrum zien wat er met me aan de hand was, zodat ze voor me konden bidden en de kwade geesten weg konden sturen in Jezus' naam. Toen ze gebeden hadden, voelde ik me bevrijd. Ik kon vrij bewegen en zag de dingen in een ander licht. Ik keek anders naar mensen en dingen, zag bijvoorbeeld voor het eerst hoe de natuur in bloei stond en hoe mooi het weer kon zijn. En dat mensen konden lachen. God heeft me bevrijd en ik kan gaan en staan waar ik wil, zonder dat iets of iemand mij dwingt om iets te zeggen of te doen.

Visioen

Ik zat een keer buiten in de tuin van het centrum en zag opeens in een visioen dat mijn vader bij me kwam. Het was duidelijk een visioen van God, want het was anders dan vroegere keren. Dit maakte me niet bang of paranoia of zo. Ik zag mijn vader in een auto met een paar van mijn Hollandse vrienden erbij. Toen ik vervolgens naar binnen liep, kwam er iemand naar mij toe die vertelde dat mijn vader gebeld had en dat hij toestemming vroeg om mij te mogen zien.

Hij moest toestemming vragen omdat ik hem zes jaar lang niet had gesproken. Ik wilde hem niet meer zien omdat hij mij had gedwongen in God te geloven en er waren in het verleden wel meer dingen gebeurd.

Vergeving

Toen mijn vader kwam vroeg hij vergeving voor alles wat hij had gedaan. God had hem dat laten zien en hij realiseerde zich dat hij fout geweest was. Nu zorgt hij heel goed voor mijn zusje en daar verdient hij mijn respect voor. Hij is dichter bij God gekomen en hij heeft een goede band met mijn zusje. Beter dan ik ooit met hem heb gehad.

Nu betoont mijn vader respect richting mij, wat hij niet deed toen ik klein was. En hij accepteert me zoals ik ben en de keuzes die ik maak, ook wat betreft mijn relatie met God.

Mijn verhaal lijkt erg op dat van de bezeten jongen uit de bijbel. Ik heb dingen toegelaten in mijn leven die me gingen beheersen, zodat ik de controle over mijn leven verloor. Ook ik ben door Jezus genezen en ook ik kreeg mijn vader terug net als hij.

Casper Cretz

Bron: Meet The Maker, Evangelische Omroep, Hilversum, Nederland.

 Terwille van de privacy is de schuilnaam Casper Cretz gebruikt. De echte naam is bij de redactie van Keerpunt bekend.

© Keerpunt, 2002