Jan Pieter Chambon: Gratie en leven van Godswege
zaterdag 11 oktober 2008
ImageIn de gevangenis kon je terechtkomen om een misdaad, maar in het 16e-eeuwse Frankrijk ook om je levensovertuiging. Jan Pieter Chambon was een moordenaar en dief, Petrus Bergier een vervolgde christen. Bergier wees hem op de liefde van God, die "geen lust heeft in de dood van de goddeloze, maar hierin dat hij zich bekeert van zijn weg en leeft".

ffIn het jaar 1512 had men in de onderaardse gevangenissen van de stad Lyon twee mensen van geheel verschillende geaardheid kunnen aantreffen. In één van de donkere vochtige holen bevond zich Pieter Chambon, die drie jaren te voren moord en diefstal begaan had en pas nu in de handen van het gerecht gevallen was. Gebonden aan handen en voeten, werd hij door ongedierte geteisterd. Maar ook het schrale voedsel van de gevangenis was geheel onvoldoende, om zijn honger te stillen.

Geen lichtstraal kon zijn kerker binnendringen. Van iedereen afgesloten, zag Chambon niemand dan de cipier die hem eens in de 24 uren zijn schamel voedsel bracht, waarvan zelfs een hond zich zou afgewend hebben. Gedurende twee maanden hadden deze muren weerklonken van de vreselijkste verwensingen en van het geluid van de zware ketens, terwijl de misdadiger Chambon niet ophield om God, zijn ouders, zijn geboortedag en het gehele mensdom te vervloeken.

Zo was de geestelijke en lichamelijke toestand van deze ellendeling, toen Petrus Bergier, geboren in Genève, in dezelfde kerker geworpen werd. Bergier was een rijk en door zijne medeburgers geacht man; hij had een lieve vrouw en veelbelovende kinderen. Om zijn christelijk geloof was hij in de gevangenis geworpen.

Hij wist zeer goed, dat hij nu het lot deelde van vele christenen. Maar toch was hij erg ontsteld, toen hij bemerkte wie zijn lotgenoot was, maar de gedachte dat Jezus voor goddelozen was gestorven, veranderde zijn schrik in medelijden en zijn afkeer in een vurig verlangen om aan de verlossing van deze verlorene te mogen medewerken.

Bergier begon met Chambon op de meest vriendelijke wijze te verzoeken met vloeken en verwensingen op te houden, daar het hem toch niets hielp en hij zichzelf Gods toorn op de hals haalde; ook nodigde hij hem uit mee te bidden.

Chambon bekende dat zijn vervloekingen hem niet hielpen, maar meende, dat zijn gebeden het evenmin zouden doen. Toen Bergier zag dat zijn pogingen vruchteloos bleven, hield hij te sterker aan in het gebed voor zijn medegevangene, terwijl hij, zelf niet geketend, hem de meest mogelijke diensten bewees en ook met hem zijn beter voedsel, dat zijn vrienden uit de stad bezorgden, meedeelde.

Dit scheen op het verharde gemoed van Chambon te werken, althans hij stoorde hem niet meer in zijn gebeden en luisterde, al was het nog niet met belangsteling, toch met geduld naar wat Bergier hem uit Gods woord vertelde. Bergier wees hoofdzakelijk op de liefde van Jezus Christus, die zichzelf vernederde, om zondaren aan Zijn glorie deel te laten hebben.

Wat grendels en tralies, donkere kerkers en gebrek niet konden, dat kon Jezus' woord. Het woord van vrije gratie vermorzelde Chambons hart. Eerst voelde hij zich schuldig en geneigd tot wanhoop, maar Bergier wees hem op de liefde van God, die "geen zin heeft in de dood van de goddeloze, maar hierin, dat hij zich bekeert van zijn weg en leeft".

"Wat?" vroeg Chambon verwonderd, "zelfs een moordenaar?" "Ja", antwoordde Bergier, "want de Bijbel zegt: "Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Op Gods beloften mag je vertrouwen en van Hem vergeving van zonden verwachten. Het was een misdadiger zoals jij, even onbekwaam om een leven van dankbaarheid te leiden, die tot Jezus zei: "Heer! denk aan mij, als U in Uw Koninkrijk zult zijn ingegaan", die de troostvolle verzekering uit de mond van de Heiland mocht vernemen: "Heden zul je met Mij in het Paradijs zijn". Laat dit jou vrijmoedigheid geven en tot pleitgrond zijn.

"Geloof je werkelijk", vroeg Chambon, dat ik behouden kan worden?" "Wie gelooft, zal behouden worden", sprak Petrus Bergier met ernst. En nederknielend bad Bergier overluid, dat Jezus Christus deze berouwhebbende zondaar genadig mocht zijn en hem daarvan de gelukkige zekerheid zou geven.

Chambon, die met gevouwen handen naast hem neerknielde, sloot zich met bevende stem aan het gebed van Bergier aan, met de woorden: "Heer Jezus! lieve Heiland! wees mij genadig. Ik ben Uw liefde onwaardig en verdien veroordeeld te worden, maar U was de moordenaar aan het kruis genadig, wees het ook mij - zelfs ook mij".

En nu, daar het voor de eerste keer was, dat hij in waarheid bad, nu ondervond hij ook voor het eerst de kracht van het gebed. Onder zijn gebed werd de hoop in zijn hart levend. Van die dag af begon Chambon, volgens zijn getuigenis, een nieuw leven.

Openlijk beleed hij de voornaamste van de zondaars te zijn, bekende hij eenvoudig zijn slecht leven en zijn misdaden, terwijl hij volhardde in het vragen om genade en om vergeving van zonden en om een beter leven te mogen leiden. Dorstig dronk hij de woorden van de Bijbel in, die Bergier hem doorgaf, totdat hij de verzekering ontving, dat hij, hoe onwaardig ook in zichzelf, ook de verlossing door Jezus Christus had gekregen, "namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade". De lippen van Chambon, die vroeger een vloeker en lasteraar geweest was, stroomden over van lof en dank voor de genade, die aan hem betoond was.

Iedere smart werd nu met geduld gedragen. Chambon erkende tegenover God en mensen dat hij oneindig meer straf verdiend had. Zijn lichamelijke pijn werd verzacht, doordat hij bevrijd werd van de ketens en beter voedsel kreeg. Maar de grootste vreugde verschafte hem de ontvangst van een Bijbel. Uren achtereen was hij in de lezing van dit boek der boeken verdiept, terwijl hij slechts met moeite, door het schemerlicht, de letters onderscheiden kon. Christenen die van Chambons bekering vernamen, stuurden hem boeken en brieven van opbeuring en vermaning.

De broer van Chambon was, hoewel onschuldig, ook gevangen gezet, beschuldigd van medeplichtigheid aan de misdaad van zijn broer, ja zelfs op de pijnbank gebracht. Toevallig ontmoette Bergier hem bij een andere gevangene. Hij kon hem toen de bekering van zijn broer meedelen en hem dringend uitnodigen om diens voorbeeld te volgen. God opende zijn hart, zodat hij het woord met vreugde ontving.

Dit verschafte Chambon een grote blijdschap, wij zien het vooral uit de volgende brief aan zijn medegevangene gericht.

"Ik moet u de grote genade melden, die God aan mijn broer bewezen heeft. De Heer heeft daardoor ruimschoots vergoed de pijniging, waaraan hij onschuldig werd onderworpen. Evenals bij mij waren ook zijn ogen verblind, toen hij hier kwam, maar nu het de Heer behaagde, het onderwijs van Bergier te zegenen, zal hij met de kennis en het licht van het Evangelie deze gevangenis kunnen verlaten en hij is een zegen oneindig groter dan het ondervonden leed, deelachtig geworden. Ja, ik acht het hoger, dan dat hij de hele wereld had gewonnen".

Eindelijk werd Chambon veroordeeld om geradbraakt te worden. En hoewel deze pijniging goed bekend was, hoorde hij zijn vonnis met gelatenheid en verdroeg het met geduld. Op de plaats van de marteling gekomen, beleed hij zijn grote zonden en smeekte hij de menigte vergeving te ontvangen, omdat ook hij wist dat God hem om Christus' wil vergeven had. Openlijk God verheerlijkend, gaf hij zich met onderwerping aan zijn straf over.

Image
Illustratie van radbraken


En wat werd er van Bergier, die om zijn geloof gevangen was gezet ? Als hij zijn geloof maar had willen verzaken, was hij niet alleen in het bezit van zijn leven gebleven, maar ook te midden van de zijnen teruggekeerd. Maar hij dacht aan Jezus woord: "Die zijn leven verliezen zal hebben terwille van Mij, zal het vinden". Bergier bleef volharden, tot het einde toe en werd tot de brandstapel veroordeeld.

William Tyndale op de brandstapel
Bijbelvertaler William Tyndale kwam in de 16e eeuw in Belgie om door wurging en verbranding


Op weg naar de strafplaats was zijn gelaat meer dan ooit verhelderd. Die hem voorbijkwamen, werden met een vriendelijk "Goedenacht" begroet. Een grote menigte was hem gevolgd. Toen hij haar overzag riep hij uit: "O, hoe groot is de oogst! Heer, zend arbeiders in Uw wijngaard!" Hij herhaalde toen nog de geloofsbelijdenis en eindigde met de woorden: "Heer, hoe goed en lieflijk is Uw naam".

Terwijl ze hem vastbonden, bad hij: "Vader, in Uwe handen beveel ik mijn geest". Toen de vlammen hem omringden, hoorde men hem nog zeggen: "Ik zie de hemel geopend". Dit waren zijn laatste woorden. Rook en vlam versmoorden zijn stem en zijn geest keerde tot Hem, die gezegd heeft: "Wees getrouw tot den dood en Ik zal u de kroon van het leven geven ".

© Keerpunt 2008

Overgenomen uit: Corn. Baay, Schetsen en Tafereelen uit de Historie van onze Oud-vaders. Nieuw-Beijerland:  J.P. van den Tol Jz., 1934. Voor Keerpunt bewerkt door Kees Langeveld. Foto ontleend aan andere bron (internet).