Tom Vermey: Een kerstgeschenk in de gevangenis
zondag 02 maart 2008

In de gevangenis Tot levenslang veroordeelde Tom Vermey wordt na de boodschap van zijn dochtertje een ander mens.

Tom Vermey was veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf voor het plegen van een moord. Hij was een van de meest misdadige typen die in de gevangenis zaten. Hij veroorzaakte de bewakers veel moeite.

Op een kerstavond moest de directeur, wegens omstandigheden, zelf dienst doen. Pas vroeg in de morgen, toen het nog donker was, kon hij naar huis gaan. Het was een ijskoude winternacht en hij knoopte zijn winterjas zorgvuldig dicht tegen de felle, snijdende wind. Terwijl hij snel doorliep, zag hij iemand die zich vlak bij de gevangenis muur schuilhield. Hij stond stil om te kijken wie het was en zag een klein meisje.

Ze was veel te dun gekleed, ze had haar blote voeten in een paar oude versleten schoenen. In haar hand hield ze een klein papieren pakje stevig vast. Hoewel de directeur aan de ene kant benieuwd was, wat dit kind daar zo vroeg in de morgen deed, was hij aan de andere kant te moe om zich met haar bezig te houden. Daarom liep hij snel door.  

De directeur hoorde dat hij gevolgd werd. Hij stond weer stil, keerde zich om en zag hetzelfde armoedig geklede kind voor zich staan.

'Wat wil je?' vroeg hij.

'Bent u de directeur van de gevangenis?' vroeg een bevend stemmetje.

'Ja', antwoordde hij, 'dat ben ik. Maar wie ben jij en wat wil je van me?'

'Meneer', zei het kind, 'ik heb geen huis meer en mijn moeder is in het ziekenhuis gestorven. Zij heeft mij, voordat zij stierf, verteld dat vader in de gevangenis zit. Hij heet Tom Vermey. Moeder dacht dat hij mij graag zou willen zien als zij dood was. Alstublieft, meneer, kunt u mij niet bij mijn vader brengen? Het is kerstfeest vandaag en ik wil hem graag een cadeau brengen.'

Na enige aarzeling zei de directeur: 'Nee, je zult moeten wachten tot het bezoekdag is.' Hij draaide zich om en wilde verder gaan. Hij had nog maar een paar stappen gedaan of hij werd aan zijn jas getrokken en een kinderstem zei: 'Meneer, gaat u alstublieft niet weg.' Grote tranen stonden in de ogen van het meisje en haar onderlip trilde van aandoening.

'Meneer', zei het kind bevend, 'ik kan niet tot de bezoekdag wachten. Ik moet mijn vader toch vertellen dat moeder gestorven is. Wilt u mij niet bij hem brengen?'

Bij deze woorden van het kind kwam er een brok in de keel van de directeur. Hij nam haar bij de hand en liep met haar terug naar de gevangenis.

In zijn kantoor liet hij het kind dicht bij de warme kachel zitten om zich wat te warmen. Ondertussen stuurde hij een bewaker om nummer 36 uit zijn cel te halen en naar zijn kamer te brengen. Zodra de man het kantoor van de directeur binnenkwam, zag hij zijn dochtertje. Boos riep hij uit: 'Wat doe jij nier, Nellie? Wat wil je? Ga terug naar je moeder!'

'O, vader', snikte het kind, 'moeder is dood. Zij is in het ziekenhuis gestorven en ze heeft tegen mij gezegd dat ik tegen u moest zeggen dat ze u altijd lief heeft gehad. Maar, vader, ik ben nu zo alleen. Ik dacht: Ik ga naar u toe en ik heb een cadeautje voor u meegenomen. Het is van ]aapje, omdat u zoveel van hem hield.'

Het kind maakte het kleine pakje dat ze nog steeds in haar hand had, open. Er kwam een stukje zijdepapier uit. Daaruit kwam een kleine, blonde haarlok, die zij in de hand van haar vader legde.

'Voordat ]aapje begraven werd, heb ik deze haarlok voor u afgeknipt.'

Nummer 36 snikte als een kind. Hij knielde bij zijn dochtertje neer en drukte haar tegen zich aan. Zijn brede gestalte schokte van ingehouden ontroering.

De directeur begreep dat hij even weg moest gaan. Hij opende zachtjes de deur en liet het tweetal alleen. Ongeveer een uur later kwam hij terug. Tom Vermey zat in de stoel bij de kachel, met zijn kleine meisje op de knie. Even keek hij verlegen rond, toen zei hij: 'Directeur, ik heb helemaal geen geld. Laat mijn kind bij deze bittere kou toch niet naar buiten gaan in deze dunne, versleten kleren. Laat mij haar mijn jasje mogen geven. Ik zal werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat om de kosten te betalen.' Tranen rolden over het gezicht van deze gebroken man.

'Nee, Vermey', antwoordde de directeur, 'houd jij je jasje maar. Je kleine meid zal geen kou lijden. Ik zal haar meenemen naar huis en zien wat mijn vrouw voor haar kan doen.'

Voordat het kind afscheid nam van haar vader, vertelde ze hem dat moeder elke dag gebeden had of vader toch ook de Heer Jezus mocht liefhebben. Moeder had haar verteld dat ze naar Jezus ging, omdat ze wist dat de Heer Jezus voor haar zonden was gestorven.

Heel kinderlijk vroeg ze toen: 'Gelooft u ook in de Heer Jezus, vader?' De man gaf geen antwoord. Hij kon er geen 'ja' op zeggen, maar de vraag van zijn kind drong wel diep in zijn hart.

De directeur nam het kind mee naar zijn huis en heeft jarenlang voor haar gezorgd, totdat haar vader uit de gevangenis ontslagen werd.

De woorden van zijn kind hebben hem tot inkeer gebracht. Hij beleed zijn schuld voor God en ontving vergeving van zijn zonden. Hij bewees dat hij een ander mens was geworden. Zijn buitengewoon goede gedrag leidde ertoe dat hem gratie werd verleend.

© Keerpunt, 2008

Overgenomen uit Lichtstralen uit het Woord 2004 van uitgeverij Medema te Vaassen. De foto dient ter illustratie en is geen foto van Tom Vermey.